03 jul

Zien dat het goed is, of mooi geweest

Als je nog maar net aan de goede kant van de veertig zit is de onschuld er wel een beetje af. Speelse lichtvoetigheid maakt plaats voor knagende vragen, duivelse dilemma’s en een hang naar richtinggevende wijsheden. Balansen worden opgemaakt en besluiten neem je alleen nog maar in het licht van hoe je herinnerd wilt worden.

Als je nog maar net aan de goede kant van de veertig zit, is ergens gewoon mee ophouden geen serieuze optie meer – das war einmal. Je gaat Duitse uitdrukkingen gebruiken en kiest voor het grote, Franse gebaar. Columns schrijven, daar houd je niet mee op, daar stop je mee.

Ik stop met het schrijven van columns.

[laat betekenisvolle stilte vallen]

Een goed gebaar, zo weet je inmiddels, is genereus. Persoonlijke overwegingen zijn nooit maatgevend. De taal is er een van het grotere goed, van het maatschappelijke belang. Weten wanneer je ruimte moet maken voor jong talent.

Desgevraagd wil je best wat meegeven. Geheel vrijblijvend, je wilt je opvolgers natuurlijk niet voor de voeten lopen, maar je wilt ook niet de indruk wekken dat je om materiaal verlegen zat.

En dus doe je wat suggesties.

Een column over hardlopers die zichzelf te tof vinden voor het voetgangerspad bijvoorbeeld. Of eentje over mensen die claimen dat Pinkpop sinds Justin Bieber niet meer underground is. Een column over PVV-stemmers die het heus niet met alles eens zijn wat Geert Wilders zegt maar die het wel belangrijk vinden een stevig signaal af te geven richting Den Haag, over de invoering van een literaire boekenlijst voor het HBO (vijftien romans per opleiding), een column over gevoelstemperatuur (iets over de feminisering van het onderwijs en wetenschap), over mensen – partners in het bijzonder – die systemen niet respecteren (ik noem een vaatwasserinruimsysteem), over paspoorten en loyaliteit (analogie: is het te verteren dat de voorzitter van een Haagse onderwijsinstelling onder een SPARTA-dekbed kruipt), over automobilisten met zo’n aanmatigend ‘werkverkeer’-bordje voor het raam, een techniek-filosofische verkenning van het meisje dat vraagt of je een selfie van haar wilt maken, een column over Erdogan-aanhangers (gestrekt been niet nodig, geen volk zo makkelijk op de kast te krijgen), over genezing versus troost, over ouders die hun kinderen vrij laten in hun studiekeuze omdat ze alleen maar willen dat hun kroost gelukkig wordt (vraag: sinds wanneer is gelukkig worden makkelijker dan lucht- en ruimtevaarttechniek studeren), over Micha Wertheim (een ode aan het menselijk vermogen tot conceptuele zelfoverschatting), over vleesvervangers, een karakterschets van mensen die zich aangesproken voelen wanneer de vacaturetekst meldt dat de ideale kandidaat gevoel heeft voor “bestuurlijke verhoudingen” (misschien is dit het moment voor een zeer ongepaste vergelijking met de Nazi’s), een column over Westlanders, een Waar is Wally (zie jij iets over het belang van onderzoek?), over waarom een WK veel leuker is als Nederland zich niet kwalificeert, over mensen die denken dat als change management je vakgebied is je zelf ook wel heel verandergezind zult zijn (alsof vinologie en alcoholisme synoniemen zijn), over mensen die vroeger dingen uit principe niet deden en diezelfde dingen inmiddels in principe niet meer doen, een column over wie er toch in dat dorpje op de top van Mount Stupid woont, een column over wat we allemaal niet bereid zijn te doen en op te geven in het kader van nog meer ‘betaalgemak’, of een column over mensen die systemen respecteren.

En dan zeggen dat het je een genoegen was, nog een keer achterom kijken, en weten dat het zo goed is.

06 jun

Een onmogelijke vergelijking

Een Godwin heet het, en heel in het kort komt het erop neer dat in iedere discussie iemand uiteindelijk de vergelijking met de Nazi’s zal maken. Die vergelijking wordt vaak gezien als een zwaktebod. Daar is veel voor te zeggen. Het is ronduit onfris om een conducteur te vragen waarom de treinen in 1943 dan wel op tijd konden rijden of een rechte lijn te trekken van de vlokkentest naar het ‘euthanasieprogramma’ van de nationaalsocialisten.

En toch is het de vraag of we niet eerder te weinig dan te veel verwijzen naar de Nazi’s. Die vraag is niet retorisch bedoeld – ik weet het echt niet.

Geen idee of het nog onder normale beroepsdeformatie valt, maar het lukte mij niet om The Nazis and The Final Solution te kijken zonder aan mijn vakgebied te denken. Zo’n beetje alle aspecten van de organisatiekunde komen in hun donkerste, meest onthullende variant voorbij in deze zesdelige BBC documentaire over de vernietigingskampen: van strategie tot logistiek, van onderhandelen tot procesoptimalisatie en van bedrijfsdiefstal tot de werk-privébalans van de kampcommandant. Misschien kon ik het er allemaal in lezen omdat de BBC al wat framing voor me had gedaan: Auschwitz-Birkenuau, het gitzwarte hoofdstuk uit de moderne geschiedenis, wordt beschreven als een fabriek, een fabriek waar de dood werd geproduceerd.

Het is één ding om de aandacht te vestigen op de organisatievraagstukken van de Nazi’s, het is echt wat anders om dat wat we weten van toen in verband te brengen met het nu. Juist in de organisatiekunde, een vakgebied dat zich toch al eenvoudig laat verleiden tot checklists en stappenplannen, voer je de Nazi’s niet lichtzinnig ten tonele. Er zijn hele, hele goede redenen om het in een college over leiderschapsstijlen wel over Steve Jobs en niet over Adolf Hitler te willen hebben, en even goede redenen om niet openlijk te willen onderzoeken of een concentratiekamp zich beter laat typeren als machinebureaucratie of als adhocratie. Maar het heeft ook iets wrangs om Nazi-Duitsland, een van de best onderzochte en gedocumenteerde tijdperken, niet vaker naar ons toe te trekken als bron van kennis.

Hoe dat te doen – ik weet het echt niet.

Onlangs las ik Working Towards the Führer van Ian Kershaw. De Engelse hoogleraar citeert in zijn artikel de (vertaalde) passage uit een ‘routine speech’ van Werner Willikens, Staatsecretaris voor het Ministerie van Voedsel in 1934:

Everyone who has the opportunity to observe it knows that the Führer can hardly dictate from above everything he intends to realize sooner or later […] Very often and in many spheres it has been the case – in previous years as well – that individuals have simply waited for orders and instructions. Unfortunately, the same will be true in the future; but it fact it is the duty of everybody to try to work towards the Führer along the lines he would wish’.

In het artikel analyseert Kershaw wat juist deze filosofie heeft bijgedragen aan de ‘progress into barbarism’. Voor mij (als niet-historicus) nogal een eyeopener omdat ik Nazi-Duitsland juist lang met heldere bevelstructuren heb geassocieerd. Weer wat geleerd.

Maar die kennis gaat wel mooi met je aan de haal en zorgt voor gedachtenbruggetjes waar je helemaal niet op zit te wachten.

Zo stuitte ik recentelijk op het begrip Commander’s Intent, afkomstig uit het legerwaar het een belangrijke rol schijnt te spelen bij militaire besluitvorming en planning: ‘[Commander’s intent] acts as a basis for staffs and subordinates to develop their own plans and orders to transform thought into action, while maintaining the overall intention of their commander.’

Voor je er erg in hebt klik je wat door en kom je op allerlei montere managementsites waar het werken met het principe van Commander’s Intent van harte wordt aanbevolen: als oplossing voor onnodig micromanagement, als ‘kern voor leidraad bij coördinatie’ of als antwoord op ‘complexe en onvoorspelbare omstandigheden’. Stuk voor stuk artikelen met het hart op de goede plaats. Geen haar op m’n hoofd om de auteurs van duistere motieven te betichten. Maar zo’n speech van die Staatsecretaris, die wis je niet zomaar uit je geheugen, om nog maar te zwijgen van daaropvolgende analyse van hoogleraar Kershaw. Teksten die helemaal niks met elkaar te maken hebben, hebben ineens alles met elkaar te maken.

Wat moet je daar nou mee? Moet je daar wat mee?

Ik weet het echt niet. Echt niet.

27 jan

De moeder is voor de moeder een wolf

Nu het old school pussy-grabbing machismo kantoor gaat houden in de Oval Office, zou je bijna weer gaan denken dat seksisme een overzichtelijk probleem is, met de man als onvermijdelijke dader. 

Toegegeven: we, mannen, maken het nog steeds bont. We vragen ons hardop af de vrouwtjes economische kwesties wel snappen, vinden het maar wat lastig te bevatten dat die mooie benen over straat zouden willen lopen zonder wat met ons te willen gaan drinken, beginnen te schutteren als we het fenomeen male privilege uitgelegd krijgen en trekken ons dan maar terug in quasi-ironische productenpagina’sprogramma’s of complete zenders waar we ongegeneerd onze mannelijkheid kunnen vieren.

Het vraagstuk wordt lastiger wanneer seksisme institutional blijkt en het probleem dus ligt “by society and its institutions as a whole, through unequal selection or bias, intentional or unintentional; as opposed to individuals making a conscious choice to discriminate”. De voorbeelden zijn bekend en talloos, zoals vrouwen die meer betalenvoor producten dan mannen, terwijl ze toch al minder betaald krijgen voor hetzelfde werk. Institutioneel seksisme – seksisme dat zich verstopt in sociaal-culturele codes, in wetgeving, in carrièrekansen, in productontwerp – is misschien wel verraderlijker dan het klassieke man-bijt-vrouw. Moeilijker te traceren, sneller geaccepteerd als een gegeven en, juist door het ontbreken van een gezicht, nauwelijks aan de schandpaal te nagelen.
Nu is seksisme geen wedstrijd, maar wanneer ik zou mogen stemmen op de meest abjecte variant, dan kies ik toch voor wat moeders elkaar aandoen. Bloedlink om als man iets te schrijven hoe vrouwen elkaar bejegen – voor je het weet word je ervan verdacht je te verlekkeren aan een goeie cat fight – maar de vrouwenzaak lijkt me te belangrijk om alleen aan vrouwen over te laten.

Casus: mijn vriendin vertrekt voor een maand naar Nieuw-Zeeland. Zonder mij, zonder kinderen. Niet omdat het moet, maar omdat het kan.

Als ik er in mijn eentje een tijdje op uit trek leidt dat zelden tot beroering. Feit dat ik vader ben doet blijkbaar niks af aan wat mij als man toekomt.

Hoe anders ligt dat bij het moederschap. Dat de kinderen (formeel protest) en ik (bezwaren bekend bij redactie) iets vinden van de langdurige uithuizigheid lijkt me nog wel te billijken. Dat andere mannen onrustig beginnen te draaien bij het idee dat reislust wel eens besmettelijk zou kunnen blijken, soit – zegt vooral iets over de hulpeloosheid van de eerste sekse. Maar de manier waarop moeders elkaar de maat durven te nemen is ronduit onfris.

“Mooi land, Nieuw-Zeeland, hoor ik” wordt al snel “een maand is wel lang zeg” wordt al snel “dat je dat kunt, zeg” wordt al snel “dat zou ik niet kunnen” en eindigt niet zelden met suggestie “dat ook jij dat niet moeten willen, niet als je een goede moeder wilt zijn”.

Alle moeders? Tuurlijk niet. Net de verkeerde getroffen? Mooi niet. Hoe dan ook: het principe lijkt me hier belangrijker dan de kwaliteit van de steekproef.

Dat het moederschap de ongelijke behandeling van vrouwen versterkt is al droevig genoeg. Wanneer uitgerekend andere moeders de mamatroef gaan spelen is het einde zoek, lijkt mij. Als solidariteit te veel gevraagd is, dan maar snoeihard aanpakken, die moedermaffia.

21 dec

Apocalypse Now (and Again)

Een column verdient enige rijpingstijd. Je bedenkt iets op de fiets, werkt het idee uit terwijl je met je moeder belt, schrijft een eerste versie en laat die even besterven voordat je de finale versie opstuurt naar de redactie die je complimenteert met je stiptheid.

Niet deze column. De deadline kijkt over de schouders mee en bijt me venijnig toe wat ik als goed calvinist natuurlijk al lang weet: ook dit moet af.

Nu ben ik echt een calvinist en weet ik dondersgoed – vergeef me onder deze omstandigheden mijn grove taalgebruik – dat ledigheid des duivels oorkussen is. Van mij geen klaagzang over drukte in het algemeen. Deadlines, doorhalen, nieuwe dingen opstarten waar je eigenlijk geen tijd voor hebt – ik zorg graag goed voor mezelf.

But timing is everything.

Ik loop nu een paar jaar rond op mijn hogeschool en ik durf inmiddels wel te spreken van een patroon: twee keer per jaar maken we elkaar wijs dat de wereld aanstonds vergaat en dat al het werk voor die tijd dus af moet.
De zomereditie van de Apocalyps is nog wel te doen. We zitten lekker in ons velletje en we weten dat er schunnig veel vakantiedagen op ons wachten waarin het zonnetje haar helende werk kan verrichten.

Maar waarom halen we ons zoveel werk op de hals vlak voor de bloody kerstvakantie?

Moeder natuur strooit blaadjes op het spoor, zet snelwegen blank, laat fietspaden opvriezen en stort allerlei gore ziektebeelden over ons uit. Tamelijk ondubbelzinnige boodschap lijkt me: maak een u-bocht, kruip terug in je hol en geef je over aan een Ray Donovanmarathon.

Maar nee hoor, we slaan ons er manmoedig doorheen, hoesten en niezen onze collega’s ziek, installeren een nepzon op het bureau (ik wou dat het een grap was) en leveren met ons broze gestel prutswerk af waar ook nog eens geen mens op zit te wachten – te druk met de eigen sores.

We maken de vreemdste connecties met cycli van de natuur. Vinden het niet eens meer raar dat iemand ooit heeft bedacht dat de betrouwbaarheid van onze auto’s in het geding raakt als een blauwe planeet precies één baan om de zon heeft afgelegd. Accepteren het dat we aan een huis vast zitten als de aarde drie keer om de eigen as heeft gedraaid.

Maar gewoon in je werk een beetje meegaan in het ritme van de seizoenen, dat wil er maar niet in. Als we nu eens afspreken dat we volgend jaar vanaf medio oktober beginnen met de eerste klussen over de kerstvakantie heen te tillen? Werken we in april wel wat harder. Wel zo leuk ook voor de familie.

Mooie vakantie alvast, rust lekker uit, en houd je een beetje in straks (alsjeblieft).

01 sep

Langs de dagen

Het pleintje waaraan ik opgroeide werd omzoomd door drie straten met portiekwoningen en felbegeerde huurparterres die meestal binnen families bleven. Mijn straat was vernoemd naar een dichter en stond misschien om die reden bekend als de meest voorname straat. Het pleintje was niet veel bijzonders maar de parkeerhavens, de eerste in onze wijk, trokken veel bekijks, vooral in het begin. Mijn beste vriend was Marcel en hij had een broer die de vettige lok die half voor zijn ogen hing denkbeeldig over zijn schouder wierp door zijn hoofd van linksonder naar rechtsboven te laten schieten. Zijn broer was twee jaar ouder en genoot behoorlijke populariteit, niet alleen vanwege zijn haar en zijn tic maar ook omdat hij een North Side sjaaltje van FC Den Haag had dat hij ook in de klas mocht dragen als hij een stijve nek had, wat betrekkelijk vaak het geval was. Mijn moeder noemde de familie van Marcel en zijn broer volks wat soms betekende dat het daar gezellig was. Mijn vader kon op de fiets naar zijn werk en stalde zijn fiets niet ver van ons huis in een garagebox die mijn ouders met drie, later vier, andere gezinnen hadden gehuurd van een oudere man die op aandringen van zijn dochter zijn auto had verkocht en wel wat extra inkomsten kon gebruiken. Verkeerd geplaatste fietsen en de zwakke verlichting in de stalling waren terugkerende thema’s tijdens het avondeten. Een enkele keer mocht ik mee naar het werk van mijn vader, waar ik wat geld en snoep kreeg toegestopt door vrouwen die ik niet kende. Mijn vader had een eigen, bruin bureau waar hij weinig woorden aan vuilmaakte en stelde me voor aan mannen in blauwe jassen die hij goed leek te kennen en die mij vriendelijk uitlegden dat nieuwe technologieën het mogelijk maakten brieven steeds sneller te sorteren, veel sneller dan vroeger, toen brieven nog handmatig werden gesorteerd, wat nu eigenlijk alleen nog maar gebeurde bij brieven waar de adressering niet goed te lezen was. Handmatig sorteren werd gedaan door vrouwen, die betere ogen zouden hebben. Ook de haperende sorteermachine was een dankbaar en terugkerend gespreksonderwerp tijdens het avondeten. Mijn zus zat een klas boven de broer van Marcel maar vond hem toch leuk, misschien omdat ze allebei rood haar hadden. Hoewel altijd vriendelijk naar mijn zus, ging zijn voorkeur uit naar Chantal die met haar moeder schuin tegenover ons woonde, toevallig ook op een tussenetage. Chantal zat niet bij ons op school wat haar, ondanks haar dagelijkse nabijheid, anders maakte. Ze had een mooi, hoekig gezicht en sluik haar dat mijn zus asblond noemde.

Uit Langs de dagen, J.P. Zoutberg

12 jul

Tips voor de leesvakantie!

Fictie, poëzie & kinderboeken

1.      Zinkschip Diederik Samson
2.      Over een lijpe mol die nou wel eens wil weten wie hem aan zijn staart heeft getrokken Ali B. (7+)
3.      Loeder Rafael van der Vaart
4.      Bullebalk Geert Wilders (4+)
5.      En dan huil ik mijn kussen oranje: de vroege gedichten van W.A. van Buren
6.      Loser Sylvie Meis
7.      Sexy als ik schrans Marc van der Linden
8.      Only joking Boris Johnson
9.      Zij had even voor mij Frans Bauer
10.  Mijn Eed, Karakterdoodslag en andere sterke verhalen Bram Moszkowicz

Non-fictie

1.      Dan nog liever Russische hooligansnormale mensen over wielrenners Tjitske Huf
2.      Face/Off towards a neo-postphenomonological (dis)placement of Lacans ‘subjets trouves’ Annemie de Knegt
3.      En ze opeten getuigt wél van respect? Openhartige gesprekken over zoöfilie en bestialiteit Godelieve Vreijburg
4.      De 100.000 beste Nederlandse bands van 2016 Matthijs van Nieuwkerk
5.      Tis is nu toch al stuk man! stappen met Ed van der Z. Winfried de Jong
6.      Bloody Bieber: The True and Shocking Facts behind the Murders of Michael, Whitney and Prince Josh W. Rodriguez
7.      Declareren kun je leren: handboek JOVD Gijs Gort
8.      Goeie poep amice! De hoogbrabantse adel en haar ontlasting: 1715-1718 Jupp Claessen
9.      De perfecte cupcake in een snaartheoretische handomdraai Robbert Dijkgraaf
10.  Chief Sabotage Officer: How to Make Your Boss Pay for Treating You Like Shit Michael Schulz