01 Sep

Langs de dagen

Het pleintje waaraan ik opgroeide werd omzoomd door drie straten met portiekwoningen en felbegeerde huurparterres die meestal binnen families bleven. Mijn straat was vernoemd naar een dichter en stond misschien om die reden bekend als de meest voorname straat. Het pleintje was niet veel bijzonders maar de parkeerhavens, de eerste in onze wijk, trokken veel bekijks, vooral in het begin. Mijn beste vriend was Marcel en hij had een broer die de vettige lok die half voor zijn ogen hing denkbeeldig over zijn schouder wierp door zijn hoofd van linksonder naar rechtsboven te laten schieten. Zijn broer was twee jaar ouder en genoot behoorlijke populariteit, niet alleen vanwege zijn haar en zijn tic maar ook omdat hij een North Side sjaaltje van FC Den Haag had dat hij ook in de klas mocht dragen als hij een stijve nek had, wat betrekkelijk vaak het geval was. Mijn moeder noemde de familie van Marcel en zijn broer volks wat soms betekende dat het daar gezellig was. Mijn vader kon op de fiets naar zijn werk en stalde zijn fiets niet ver van ons huis in een garagebox die mijn ouders met drie, later vier, andere gezinnen hadden gehuurd van een oudere man die op aandringen van zijn dochter zijn auto had verkocht en wel wat extra inkomsten kon gebruiken. Verkeerd geplaatste fietsen en de zwakke verlichting in de stalling waren terugkerende thema’s tijdens het avondeten. Een enkele keer mocht ik mee naar het werk van mijn vader, waar ik wat geld en snoep kreeg toegestopt door vrouwen die ik niet kende. Mijn vader had een eigen, bruin bureau waar hij weinig woorden aan vuilmaakte en stelde me voor aan mannen in blauwe jassen die hij goed leek te kennen en die mij vriendelijk uitlegden dat nieuwe technologieën het mogelijk maakten brieven steeds sneller te sorteren, veel sneller dan vroeger, toen brieven nog handmatig werden gesorteerd, wat nu eigenlijk alleen nog maar gebeurde bij brieven waar de adressering niet goed te lezen was. Handmatig sorteren werd gedaan door vrouwen, die betere ogen zouden hebben. Ook de haperende sorteermachine was een dankbaar en terugkerend gespreksonderwerp tijdens het avondeten. Mijn zus zat een klas boven de broer van Marcel maar vond hem toch leuk, misschien omdat ze allebei rood haar hadden. Hoewel altijd vriendelijk naar mijn zus, ging zijn voorkeur uit naar Chantal die met haar moeder schuin tegenover ons woonde, toevallig ook op een tussenetage. Chantal zat niet bij ons op school wat haar, ondanks haar dagelijkse nabijheid, anders maakte. Ze had een mooi, hoekig gezicht en sluik haar dat mijn zus asblond noemde.

Uit Langs de dagen, J.P. Zoutberg

12 Jul

Tips voor de leesvakantie!

Fictie, poëzie & kinderboeken

1.      Zinkschip Diederik Samson
2.      Over een lijpe mol die nou wel eens wil weten wie hem aan zijn staart heeft getrokken Ali B. (7+)
3.      Loeder Rafael van der Vaart
4.      Bullebalk Geert Wilders (4+)
5.      En dan huil ik mijn kussen oranje: de vroege gedichten van W.A. van Buren
6.      Loser Sylvie Meis
7.      Sexy als ik schrans Marc van der Linden
8.      Only joking Boris Johnson
9.      Zij had even voor mij Frans Bauer
10.  Mijn Eed, Karakterdoodslag en andere sterke verhalen Bram Moszkowicz

Non-fictie

1.      Dan nog liever Russische hooligansnormale mensen over wielrenners Tjitske Huf
2.      Face/Off towards a neo-postphenomonological (dis)placement of Lacans ‘subjets trouves’ Annemie de Knegt
3.      En ze opeten getuigt wél van respect? Openhartige gesprekken over zoöfilie en bestialiteit Godelieve Vreijburg
4.      De 100.000 beste Nederlandse bands van 2016 Matthijs van Nieuwkerk
5.      Tis is nu toch al stuk man! stappen met Ed van der Z. Winfried de Jong
6.      Bloody Bieber: The True and Shocking Facts behind the Murders of Michael, Whitney and Prince Josh W. Rodriguez
7.      Declareren kun je leren: handboek JOVD Gijs Gort
8.      Goeie poep amice! De hoogbrabantse adel en haar ontlasting: 1715-1718 Jupp Claessen
9.      De perfecte cupcake in een snaartheoretische handomdraai Robbert Dijkgraaf
10.  Chief Sabotage Officer: How to Make Your Boss Pay for Treating You Like Shit Michael Schulz

18 Mei

Men in Pek

“Mannen in pakken op de hogeschool”. Effectieve kop, vergelijkbaar met “Ouwe viespeuken op bankjes speeltuinen” of “Mannen met Arabisch uiterlijk in de buurt van [waar dan ook]”. 

Als lezer moet je maar één conclusie kunnen trekken: met deze mannen is het uitkijken geblazen.

Het artikel onder de NRC-kop moet doorgaan voor onderzoeksjournalistiek, maar de nieuwsgierigheid is ver te zoeken. Slotsom = vertrekpunt: docenten deugen, incompetente zakkenvullers herken je aan het kostuum. Vervelend, voorspelbaar stuk.

Zat me een beetje op te winden toen ik me ineens realiseerde dat de toevoeging “op de hogeschool” eigenlijk weinig toevoegde. “Mannen in pakken” is omineus genoeg.

Hoe heeft het zo mis kunnen gaan?

Dat “pakkenmannen” op voorhand iets hebben uit te leggen is best opmerkelijk. Met pakken maak je immers vrienden. In ieder geval vriendinnen. Zelfs een stel vuige rockers moest erkennen dat bronstige mannen er goed aan doen zich sharp te dressen. Antropoloog Joris Luyendijk suggereerde dat de bankencrisis voorkomen had kunnen worden als vrouwen niet zo wild zouden worden van mannen in pakken (en mannen zich dus niet hoeven uit te sloven in the City). Het werkingsmechanisme is bekend: het pak representeert macht, en macht erotiseert nu eenmaal.

Het moet ergens in de jaren zestig zijn geweest dat die koppeling tussen macht en pak een heus issue werd. Ik was er zelf niet bij, maar men scheen toen nogal wat problemen met autoriteiten te hebben gehad. Autoriteiten (regenten, de politie, je vader) droegen pakken en dus kon het mijden van het pak worden gepresenteerd als een daad van verzet.

Nu hebben we aan de jaren zestig vast veel belangrijks te danken, maar ze hebben er ook mooi voor gezorgd dat slobbertruien, rafelige T-shirts onder onbegrijpelijke overhemden en vormloze, verwassen chinos ‘moeten kunnen’. Ook op het werk.

Zie hier de kern van het probleem. In omgevingen waar macht verdacht is gemaakt, kan het pak verdwijnen omdat het er niet meer om gaat hoe het staat (esthetiek) maar waarvoor het staat (symboliek).

De hogeschool is blijkbaar zo’n omgeving.

Noem het ironisch, noem het wrang, maar de bevrijdende afwijzing van het strakke pak heeft tot een nieuw keurslijf geleid. Casual is al lang geen verworvenheid meer, het is de dwingende norm geworden. Ik spreek collega’s die zich bezwaard voelen om een pak aan te trekken, zelfs bij bijzondere gelegenheden. Of je een sollicitatiegesprek hebt. Of je af moet dansen. Of, het toppunt, je soms een managementpositie ambieert.

Dress up Monday mannen. Klein gebaar, groot plezier. Samen kunnen we de wereld een beetje mooier maken. Samen kunnen we ervoor zorgen dat onder een kop “mannen in pakken op de hogeschool” een artikel komt te hangen waar je wel blij van wordt.

20 Apr

Regel, zucht

Wanneer monstertrucks op hol slaan op volgepakte dorpspleinen of ontspoorde zeloten een vertrekhal opblazen, dan kunnen we ons natuurlijk laten verleiden tot het voeren van ingewikkelde discussies. Een beproefd alternatief is dat we het gaan hebben over regels. Waren er regels, hadden die er moeten zijn, zijn ze gehandhaafd, wie was er verantwoordelijk voor het niet naleven van de regels, etc. 

Over regels zijn bibliotheken vol geschreven en, laten we wel zijn, regels zijn niet de populairste jongens uit de klas. In het gunstigste geval worden ze gezien als een noodzakelijk kwaad die voorkomen dat we elkaar de hersens inslaan. In donkerder scenario’s maken regels het juist mogelijk dat we elkaar de meest vreselijke dingen aandoen (regels zijn regels, Befehl ist Befehl – dat werk).

Zelf vermoed ik dat wij mensen gewoon dol zijn op regels. Stop vier mensen in een hok en binnen een kwartier heb je de eerste regels die ervoor moeten zorgen dat het niet telkens dezelfde zijn die de afwas doen en dat ook de verlegen types hun stem kunnen laten horen. Regels. Niet omdat het kan, niet omdat het moet, maar omdat we ze willen.

Ons verlangen naar regels is een verboden liefde. Een passie voor procedures schreeuw je niet van de daken. Menselijker is het om ons openlijk te distantiëren van wat we ten diepste begeren.

Politici snappen dat. Lijsttrekkers die een MEER!MEER!MEER! regels eisende menigte beloven niet teleur te zullen stellen – je ziet ze maar zelden. Rechts én links stellen ondernemers, zorgzoekers en docenten een regelarme heilstaat in het vooruitzicht.

Maar zitten we dan straks niet met de gebakken peren, dat wil zeggen: zonder regels?
Daar hoeven we volgens David Graeber echt niet bang voor te zijn. In zijn heerlijke The Utopia of Rules concludeert hij dat dereguleringsmaatregelen uiteindelijk altijd meer regels baren dan wegnemen. Dat de belofte van minder bureaucratie resulteert in meer, niet minder red tape is volgens Graeber geen kwestie van toeval, onwil of te verhelpen knulligheid. Het is een iron law. Onvermijdelijk dus.

Nu worden er over mensen best wel eens onaardige dingen gezegd. Dat we niet weten wat goed voor ons is, bijvoorbeeld. Of dat we de consequenties van ons (stem)gedrag niet zouden kunnen overzien. Maar misschien zijn we veel slimmer dan we denken. Hebben we allemaal al lang stiekem weet van Graeber’s ijzeren wet.

Geïrriteerd met de ogen rollen als je op ‘de regeltjes’ wordt gewezen, partijen in het zadel hijsen die vereenvoudiging of afschaffing aankondigen, en je vervolgens luidkeels beklagen over de niet ingeloste regelverlichtingsbeloften.

En dan de gordijnen dicht, goede fles wijn open en stilletjes, heel stilletjes, het succes vieren. Regels, meer van die zalige regels. Verboden liefdes, om ja te krijgen moet je soms nee zeggen.

29 Feb

Bieberbildung

Ik heb het altijd vol ongeloof en met nauwelijks verholen minachting aangehoord. Ouders die met droge ogen bekennen dat hun kroost zelf mag bepalen wat er uit de speakers stroomt. Wanneer volgroeide individuen K3 “best vrolijk” vinden of Dirk Scheele tijdens de zondagse autoritten naar oma “niet eens meer horen”, dan getuigt dat natuurlijk van veel meer dan slechte smaak. Ze diskwalificeren zichzelf als geschikte vaders en moeders.

Vergeet films. De echte Bildungswinsten worden geboekt op het terrein van de muzikale vorming.

Ik weet er alles van. Muzikaal huiselijk geweld uit je jeugd draag je met je mee. De non-descripte liftmuziek van mijn ouders, het door mijn zus verzamelde werk van de Dolly Dots en de Italodisco uit de kamer van mijn broer – het bleek een giftige mix die mij op een muzikaal dwaalspoor zou zetten. Kort en goed: ik heb ooit gedacht dat muziek niet beter kon worden dan wat de Dire Straits te bieden had.

Mijn kinderen hebben het maar getroffen met mij. Sinds hun vroege jeugd staan ze op een zorgvuldig samengesteld dieet van 8.0+ albums van Pitchfork.com. Op papa kun je bouwen, met een gepaste playlist voor ieder moment.

Je verantwoordelijkheid nemen als muzikale opvoeder, dat is uiteraard niet alleen maar dikke pret. Natuurlijk moet je midden in de nacht je bed wel eens uit om over wat bolletjes te aaien na een uurtje Wolves in the Throne Room voor het slapen gaan. En nee, niet iedereen vindt het correct dat roomblanke jongetjes vrolijk met Kendrick Lamar meezingen dat Every Nigger a Star is. En ja, er komt een moment dat ik het gesprek zal moeten aangaan over de vermeende misogyne teksten van huisheld Kanye.

Maar dat is allemaal klein bier – overzienbaar leed dat kan worden weggestreept tegen het belang van dat wat moet.

En dan ineens, vanuit je dode hoek: Justin Bieber. Dat Canadese pisvingertje die via de beproefde formule van zorgvuldig geregisseerd opstandig gedrag en publieke boetedoening zijn kindersterretjestatus van zich heeft weten af te schudden en nu doorgaat voor artiest. Justin F*****G Bieber. In mijn huis, op mijn Sonos.

Vormen is loslaten. Het hele idee van Bildung is dat je wezentjes voortbrengt die op een gegeven moment zelf verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun keuzes en acties. Maar wanneer is dat moment? Schreeuwen mijn kinderen over de rug van Bieber niet om aandacht, om sturing, om muzikale voeding? Vormen is volhouden. In het belang van de kinderen. Sorry Justin.

29 Jan

Dansende plannen

Wil je dingen in beweging krijgen, zo moet iemand ooit hebben bedacht, dan moet je daar vooral goed over nadenken. Mensen die goed kunnen nadenken komen op betere plannen en naar de betere plannen heb je eigenlijk geen omkijken – die voeren zichzelf wel zo’n beetje uit.

Dat we inmiddels aardig in de gaten hebben dat zelfs het beste plan kan vastlopen in de modder van de praktijk doet niets af aan het basisvertrouwen dat we stellen in goede plannen.

Wanneer de dingen niet of in de verkeerde richting bewegen, dan trekken we doorgaans de conclusie dat prutsers achter de plannen moeten worden vervangen door mensen die wel kunnen nadenken. In de tussentijd leggen we ons neer bij het onvermijdelijke: improviseren dan maar.

Het primaat van Het Denken komt mooi naar voren in de geringschattende manier waarop we spreken over de realisatie van de plannen. Fraaiste voorbeeld is natuurlijk de suggestie dat je plannen zou kunnen uitrollen. Aantrekkelijke metafoor. Net als een rol vloerbedekking kun je een plan een schop in de goede richting geven waarna alles wel op z’n plek zal vallen. Implementeren klinkt al wat chiquer, maar berust op hetzelfde principe: het denkwerk is af, het moet alleen nog even gebeuren.

Het vaakst spreken we misschien wel over het uitvoeren van plannen. Daar hebben we dan meestal dezelfde beelden bij als bij implementatie of uitrol: hoe een idee uitpakt wanneer we het ten uitvoer brengen mag geen verrassing zijn. Met andere woorden, bij goede plannen ligt de realisatie besloten in het idee zelf.

Eeuwig zonde, zo’n beperkte opvatting van zo’n fraai woord. Want uitvoeren betekent natuurlijk ook wat anders, namelijk spelen – bijvoorbeeld van een toneel- of muziekstuk. Zegt Van Dale zelf.

Misschien is het een idee om die andere betekenis van zo’n ingeburgerd woord als uitvoering eens door te denken op haar consequenties.

Stel dat we de uitvoering van een plan kunnen vergelijken met de uitvoering van bijvoorbeeld een toneelstuk. Stel.

Wanneer we plannen zouden gaan spelen, dan is het niet onwaarschijnlijk dat we milder zullen oordelen over plannen die anders uitpakken dan we hadden gedacht. ‘Onzekerheid’ en ‘een ongewisse uitkomst’ zijn bij spel immers geen ongemakken, maar feestelijke onvermijdelijkheden – wezenlijk onderdeel van het spel. Sterker: we hopen zelfs op verrassingen bij de uitvoering van plannen, zoals we ook uitkijken naar verschillende uitvoeringen van een en hetzelfde stuk.

Wanneer je je inbeeldt dat plannen gespeeld zouden kunnen worden, dan ligt het ook voor de hand dat je improvisatie anders gaat waarderen. Niet meer als noodgreep, maar juist als een eerste keuze: ‘In het moment bepalen wat er nodig is om een doel te bereiken, je niet laten afschrikken door de omstandigheden, fouten durven maken om er vervolgens van te leren.’

Stel dat we het idee van ‘plannen spelen’ eens verder zouden doordenken. En daar dan onderzoek naar zouden doen. Dan zou dat zomaar hier gevolgd kunnen worden.